woord

Betekenis woord

De betekenis van woord is: "het -woordwoorden1groep klanken met een bepaalde betekenis; het gesprokene;met andere woordenanders gezegd;dikke woordena) geleerde (vooral vreemde) termen; b) krachttermen;in één woordkortweg gezegd;een groot woordeen te gewichtig woord voor iets;een groot woord hebbenin zijn spreken zichzelf als een flink en ondernemend man voorstellen (maar weinig daden doen);woord voor woordalles, tot in de details:iets woord voor woord herhalen ; dat is woord voor woord gelogen ;in zoveel woordenwoordelijk zo;onder woorden brengenin taal weergeven;goed zijn woord doenvlot zeggen wat men te zeggen heeft;niet uit zijn woorden kunnen komenmet moeite spreken, zich gebrekkig uitdrukken;met twee woorden sprekenna `ja` of `nee` naam of titel laten volgen;een goed woorda) een godsdienstige toespraak; b) een vriendelijke, welwillende wijze van toespreken;ze geven elkaar geen goed woordzwijgen tegen elkaar of snauwen elkaar af;een goed woord(je) voor iemand doenten gunste van iemand spreken;iemand het woord geveniem. op een vergadering de gelegenheid geven te spreken;het woord hebbenop een vergadering de beurt hebben om te spreken;het woord is aan de voorzitterde beurt van spreken: ik kon niet aan het woord komen ;het woord nemengaan spreken;iemand de woorden uit de mond halen, nemenhem net even vóór zijn met het zeggen van iets;het woord doenspreken namens een of meer anderen;woorden hebbentwist hebben;een hoog woord hebben, voerenmet aanmatiging spreken;het hoogste woord hebbenhet meest en het luidst spreken;altijd het laatste woord willen hebbentegenspreken en de ander nooit gelijk geven;het woord tot iemand richteniem. aanspreken;iemand te woord staannaar hem luisteren;de daad bij het woord voegenwat men zegt dadelijk doen;het woord voerenspreken, een toespraak houden;het hoge woord was eruiteindelijk werd gezegd wat men haast niet durfde of wilde zeggen;verkl : woordje ;een woordje zeggeneen korte toespraak houden;een woordje meesprekenóók invloed hebben;woordjes lerenwoorden uit een vreemde taal leren; zie ook bijbrood en gevleugeld ;2belofte: zijn woord van eer ; zijn woord breken ; iem. op zijn woord geloven ; iem. zijn woord geven ; zijn woord houden ; iemand aan zijn woord houden ;op mijn woordheus; zie ook bijman ;3de bijbel: Gods Woord ; het Woord Gods ;4Christus: het Woord is vlees geworden2woordde -woord (mannelijk)woorden= woerd
1 Psychologisch-taalkundige eenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen 2 Dictie. 3 Belofte.
tekenrij of een bitreeks die als een eenheid wordt beschouwd
begrip, logos, rededeel, verbum, parool, uitdrukkingbeloftemannetjeseend, waard, woerd
".

Defenitie woord

De definitie van woord is: "het -woordwoorden1groep klanken met een bepaalde betekenis; het gesprokene;met andere woordenanders gezegd;dikke woordena) geleerde (vooral vreemde) termen; b) krachttermen;in één woordkortweg gezegd;een groot woordeen te gewichtig woord voor iets;een groot woord hebbenin zijn spreken zichzelf als een flink en ondernemend man voorstellen (maar weinig daden doen);woord voor woordalles, tot in de details:iets woord voor woord herhalen ; dat is woord voor woord gelogen ;in zoveel woordenwoordelijk zo;onder woorden brengenin taal weergeven;goed zijn woord doenvlot zeggen wat men te zeggen heeft;niet uit zijn woorden kunnen komenmet moeite spreken, zich gebrekkig uitdrukken;met twee woorden sprekenna `ja` of `nee` naam of titel laten volgen;een goed woorda) een godsdienstige toespraak; b) een vriendelijke, welwillende wijze van toespreken;ze geven elkaar geen goed woordzwijgen tegen elkaar of snauwen elkaar af;een goed woord(je) voor iemand doenten gunste van iemand spreken;iemand het woord geveniem. op een vergadering de gelegenheid geven te spreken;het woord hebbenop een vergadering de beurt hebben om te spreken;het woord is aan de voorzitterde beurt van spreken: ik kon niet aan het woord komen ;het woord nemengaan spreken;iemand de woorden uit de mond halen, nemenhem net even vóór zijn met het zeggen van iets;het woord doenspreken namens een of meer anderen;woorden hebbentwist hebben;een hoog woord hebben, voerenmet aanmatiging spreken;het hoogste woord hebbenhet meest en het luidst spreken;altijd het laatste woord willen hebbentegenspreken en de ander nooit gelijk geven;het woord tot iemand richteniem. aanspreken;iemand te woord staannaar hem luisteren;de daad bij het woord voegenwat men zegt dadelijk doen;het woord voerenspreken, een toespraak houden;het hoge woord was eruiteindelijk werd gezegd wat men haast niet durfde of wilde zeggen;verkl : woordje ;een woordje zeggeneen korte toespraak houden;een woordje meesprekenóók invloed hebben;woordjes lerenwoorden uit een vreemde taal leren; zie ook bijbrood en gevleugeld ;2belofte: zijn woord van eer ; zijn woord breken ; iem. op zijn woord geloven ; iem. zijn woord geven ; zijn woord houden ; iemand aan zijn woord houden ;op mijn woordheus; zie ook bijman ;3de bijbel: Gods Woord ; het Woord Gods ;4Christus: het Woord is vlees geworden2woordde -woord (mannelijk)woorden= woerd
1 Psychologisch-taalkundige eenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen 2 Dictie. 3 Belofte.
tekenrij of een bitreeks die als een eenheid wordt beschouwd
begrip, logos, rededeel, verbum, parool, uitdrukkingbeloftemannetjeseend, waard, woerd
".