weg

Betekenis weg

De betekenis van weg is: "de -woord (mannelijk)wegen1pad, straat: een weg aanleggen ; een weg inslaan, opgaan ; op weg gaan , zich op weg begeven ; een eind weegs meegaan ;zijns weegs gaanweggaan, naar zijn bestemming gaan;iemand in de weg lopen, staaniem. hinderen;uit de wegop zij;iem. de weg afsnijdeniem. de weg versperren, hem beletten vooruit te komen;zich een weg banenallerlei hindernissen verwijderen om vooruit te komen;iemand uit de weg blijvenzorgen dat men met iemand niets te maken heeft;de weg van alle vlees gaansterven;iem. op weg helpena) iem. in de goede richting helpen; b) iem. helpen vooruit te komen;iemand niets in de weg leggenhem op geen enkele wijze hinderen;het ligt niet op mijn wegik ben niet de aangewezen persoon, het kan niet van mij verwacht worden;zijn weg wetenzich weten te redden, weten vooruit te komen;naar de bekende weg vragenvragen naar wat men al weet;geen weg met iets wetener geen raad mee weten;al aardig op weg zijn om beroepsmisdadiger te wordenlangzaam maar zeker beroepsmisdadiger worden;er zit hem iets in de weghij heeft hinder van iets;bedekte wegmilitaire term weg buiten een gracht waar de soldaten beveiligd zijn door een zacht glooiend glacis;Zuid-Nederlands :zijn weg maken(in de wereld) vooruit komen, het ver schoppen;Zuid-Nederlands :te wegea) ondertussen, intussen; b) binnenkort, weldra; toekomstig;Zuid-Nederlands :te wege naarop weg naar;Zuid-Nederlands :te wege zijnop het punt staan, van plan zijn (om);2 figuurlijk manier: dat is niet de weg om er te komen ;er staan verschillende wegen voor hem openhij kan op verschillende wijzen zijn doel bereiken of zijn leven inrichten; zie ook bijbereiden , 1 hol (bet 2) , ruimen2wegIbijwoord1vertrokken;weg wezen!ga weg, verdwijn!;2kwijt, verdwenen: mijn portemonnee is weg ; hij, het is weg ;hij was er weg vanhij was er zeer door bekoord;Zuid-Nederlands :weg en weerheen en weer, heen en terug, op en neer;Zuid-Nederlands :er mee weg zijn of het weg hebbeninformeel het begrijpen, doorzien, doorhebben;IItussenwerpsel :weg ermee3wegde -woordweggen= wegge
rijstrook, straat, baan, padafstand, loop, route, tocht, trajecthandelwijze, ingang, manier, middellevensloopabsent, foetsie, kapoeres, naar de bliksem, ribbedebie, spoorloos, vertrokken, kwijt, naar de maan, pleite, verdwenen, verloren, zoekafwaarts, heen, vandaan, afwegge
".

Defenitie weg

De definitie van weg is: "de -woord (mannelijk)wegen1pad, straat: een weg aanleggen ; een weg inslaan, opgaan ; op weg gaan , zich op weg begeven ; een eind weegs meegaan ;zijns weegs gaanweggaan, naar zijn bestemming gaan;iemand in de weg lopen, staaniem. hinderen;uit de wegop zij;iem. de weg afsnijdeniem. de weg versperren, hem beletten vooruit te komen;zich een weg banenallerlei hindernissen verwijderen om vooruit te komen;iemand uit de weg blijvenzorgen dat men met iemand niets te maken heeft;de weg van alle vlees gaansterven;iem. op weg helpena) iem. in de goede richting helpen; b) iem. helpen vooruit te komen;iemand niets in de weg leggenhem op geen enkele wijze hinderen;het ligt niet op mijn wegik ben niet de aangewezen persoon, het kan niet van mij verwacht worden;zijn weg wetenzich weten te redden, weten vooruit te komen;naar de bekende weg vragenvragen naar wat men al weet;geen weg met iets wetener geen raad mee weten;al aardig op weg zijn om beroepsmisdadiger te wordenlangzaam maar zeker beroepsmisdadiger worden;er zit hem iets in de weghij heeft hinder van iets;bedekte wegmilitaire term weg buiten een gracht waar de soldaten beveiligd zijn door een zacht glooiend glacis;Zuid-Nederlands :zijn weg maken(in de wereld) vooruit komen, het ver schoppen;Zuid-Nederlands :te wegea) ondertussen, intussen; b) binnenkort, weldra; toekomstig;Zuid-Nederlands :te wege naarop weg naar;Zuid-Nederlands :te wege zijnop het punt staan, van plan zijn (om);2 figuurlijk manier: dat is niet de weg om er te komen ;er staan verschillende wegen voor hem openhij kan op verschillende wijzen zijn doel bereiken of zijn leven inrichten; zie ook bijbereiden , 1 hol (bet 2) , ruimen2wegIbijwoord1vertrokken;weg wezen!ga weg, verdwijn!;2kwijt, verdwenen: mijn portemonnee is weg ; hij, het is weg ;hij was er weg vanhij was er zeer door bekoord;Zuid-Nederlands :weg en weerheen en weer, heen en terug, op en neer;Zuid-Nederlands :er mee weg zijn of het weg hebbeninformeel het begrijpen, doorzien, doorhebben;IItussenwerpsel :weg ermee3wegde -woordweggen= wegge
rijstrook, straat, baan, padafstand, loop, route, tocht, trajecthandelwijze, ingang, manier, middellevensloopabsent, foetsie, kapoeres, naar de bliksem, ribbedebie, spoorloos, vertrokken, kwijt, naar de maan, pleite, verdwenen, verloren, zoekafwaarts, heen, vandaan, afwegge
".