vallen

Betekenis vallen

De betekenis van vallen is: "` val - len(viel, is gevallen)1van een hoogte neerkomen; plotseling van staande houding in liggende overgaan;over iets vallenfiguurlijk er zich aan ergeren;met vallen en opstaanna een moeilijk leerproces waarbij veel is mislukt;iem. om de hals, in de armen vallenomhelzen;iem. laten vallenfiguurlijk niet meer steunen, laten stikken;vallen als een baksteena) snel en hard neerkomen; b) verschrikkelijk mislukken; zie ook bijaarde , boot , buil , deur , duig ;2zedelijk ten val komen, in zonde vallen;3sneuvelen, sterven;4zich moeten overgeven: Parijs is gevallen ;5 gedwongen worden tot ontslag;6 zakken, dalen: het water valt ; de schemering valt al vroeg ;7 zijn: het valt me hard, zwaar ; er valt niet veel van te vertellen ; lastig vallen ; er valt niet met hem te praten ; daar valt niet mee te spotten ;8 gebeuren, plaatshebben: op welke dag valt je verjaardag? ; er vielen harde woorden ; er viel een schot ;9 komen, geraken: in slaap vallen ; Zuid-Nederlands :in ambras, ruzie vallenherrie, ruzie krijgen;Zuid-Nederlands :zonder brood, geld, benzine, werk enz. vallenkomen te zitten; zie ook bijongenade ;10 plotseling invallen: iemand in de rede vallen ;11 uitkomen, treffen:dat valt slechtwordt in het geheel niet gewaardeerd;al naar het valtzoals het uitkomt;12 gericht zijn op: de klemtoon valt op de eerste lettergreep ; de keuze viel op mij ;13 behoren: dit valt hierbuiten ; dat valt buiten mijn bevoegdheden ;14 passen, hangen: die japon valt goed ;15vallen opcharmant vinden, gecharmeerd worden door;16 Zuid-Nederlands worden: werkeloos vallen ; ziek vallen ;17 Zuid-Nederlands noodzakelijk zijn: er valt hier hard te werken ;18 Zuid-Nederlands :erdoor vallenafgaan, een slecht figuur slaan (door zijn tekst te vergeten, vals te zingen e.d.)
hier:neerkomen vanuit een hoger gelegen punt
hier:omvallen uit een rechtopstaande positie
duikelen, kukelen, lazeren, mieteren, buitelen, donderen, duvelen, flikkeren, kletteren, kwakken, rollen, sodemieteren, tuimelensneuvelen, stervenzakken, dalen, verminderen, vervallen, zinkenplaatshebben, gebeuren, plaatshebbengeraken, komenschikken, treffen, uitkomenbehorenhangen, passen, zitten
".

Defenitie vallen

De definitie van vallen is: "` val - len(viel, is gevallen)1van een hoogte neerkomen; plotseling van staande houding in liggende overgaan;over iets vallenfiguurlijk er zich aan ergeren;met vallen en opstaanna een moeilijk leerproces waarbij veel is mislukt;iem. om de hals, in de armen vallenomhelzen;iem. laten vallenfiguurlijk niet meer steunen, laten stikken;vallen als een baksteena) snel en hard neerkomen; b) verschrikkelijk mislukken; zie ook bijaarde , boot , buil , deur , duig ;2zedelijk ten val komen, in zonde vallen;3sneuvelen, sterven;4zich moeten overgeven: Parijs is gevallen ;5 gedwongen worden tot ontslag;6 zakken, dalen: het water valt ; de schemering valt al vroeg ;7 zijn: het valt me hard, zwaar ; er valt niet veel van te vertellen ; lastig vallen ; er valt niet met hem te praten ; daar valt niet mee te spotten ;8 gebeuren, plaatshebben: op welke dag valt je verjaardag? ; er vielen harde woorden ; er viel een schot ;9 komen, geraken: in slaap vallen ; Zuid-Nederlands :in ambras, ruzie vallenherrie, ruzie krijgen;Zuid-Nederlands :zonder brood, geld, benzine, werk enz. vallenkomen te zitten; zie ook bijongenade ;10 plotseling invallen: iemand in de rede vallen ;11 uitkomen, treffen:dat valt slechtwordt in het geheel niet gewaardeerd;al naar het valtzoals het uitkomt;12 gericht zijn op: de klemtoon valt op de eerste lettergreep ; de keuze viel op mij ;13 behoren: dit valt hierbuiten ; dat valt buiten mijn bevoegdheden ;14 passen, hangen: die japon valt goed ;15vallen opcharmant vinden, gecharmeerd worden door;16 Zuid-Nederlands worden: werkeloos vallen ; ziek vallen ;17 Zuid-Nederlands noodzakelijk zijn: er valt hier hard te werken ;18 Zuid-Nederlands :erdoor vallenafgaan, een slecht figuur slaan (door zijn tekst te vergeten, vals te zingen e.d.)
hier:neerkomen vanuit een hoger gelegen punt
hier:omvallen uit een rechtopstaande positie
duikelen, kukelen, lazeren, mieteren, buitelen, donderen, duvelen, flikkeren, kletteren, kwakken, rollen, sodemieteren, tuimelensneuvelen, stervenzakken, dalen, verminderen, vervallen, zinkenplaatshebben, gebeuren, plaatshebbengeraken, komenschikken, treffen, uitkomenbehorenhangen, passen, zitten
".