uithalen

Betekenis uithalen

De betekenis van uithalen is: "` uit - ha - len(haalde uit, h. uitgehaald)1 vooral Zuid-Nederlands tevoorschijn halen uit, vooral spijs en drank tevoorschijn halen om te trakteren;2leeghalen: de kachel uithalen ; (breiwerk ) lostrekken;3uitwijken: de vrachtauto haalde niet ver genoeg uit ;4een hoge toon te langgerekt zingen of spelen;5 uitvoeren: kattenkwaad uithalen ;6 voordeel geven, helpen: dat haalde niets uit ;7 royaal voor de dag komen, royaal onthalen;8 breeduit onder woorden brengen;fel uithalen tegen iem.iem. in scherpe bewoordingen bekritiseren;9 Zuid-Nederlands spreken, uitspreken;zijn (beste) Frans, Engels e.d. uithalenzo goed mogelijk Frans, Engels e.d. spreken;10 Zuid-Nederlands naar buiten halen; (van huis) afhalen;11 Zuid-Nederlands (een lijk) naar het graf brengen
leeghalen, puren, putten, uitbaggeren, uitkrabben, ledigen, onttrekken, schoonmaken, uitstekenlostrekken, afhalen, afrukken, benemen, lostrekken, ontrukken, rooien, trekken, uitrukken, uittrekken, wiedenuitwijkendoen, uitrichten, flikken, uitvoeren, uitvretenhelpenspreken, uitspreken
".

Defenitie uithalen

De definitie van uithalen is: "` uit - ha - len(haalde uit, h. uitgehaald)1 vooral Zuid-Nederlands tevoorschijn halen uit, vooral spijs en drank tevoorschijn halen om te trakteren;2leeghalen: de kachel uithalen ; (breiwerk ) lostrekken;3uitwijken: de vrachtauto haalde niet ver genoeg uit ;4een hoge toon te langgerekt zingen of spelen;5 uitvoeren: kattenkwaad uithalen ;6 voordeel geven, helpen: dat haalde niets uit ;7 royaal voor de dag komen, royaal onthalen;8 breeduit onder woorden brengen;fel uithalen tegen iem.iem. in scherpe bewoordingen bekritiseren;9 Zuid-Nederlands spreken, uitspreken;zijn (beste) Frans, Engels e.d. uithalenzo goed mogelijk Frans, Engels e.d. spreken;10 Zuid-Nederlands naar buiten halen; (van huis) afhalen;11 Zuid-Nederlands (een lijk) naar het graf brengen
leeghalen, puren, putten, uitbaggeren, uitkrabben, ledigen, onttrekken, schoonmaken, uitstekenlostrekken, afhalen, afrukken, benemen, lostrekken, ontrukken, rooien, trekken, uitrukken, uittrekken, wiedenuitwijkendoen, uitrichten, flikken, uitvoeren, uitvretenhelpenspreken, uitspreken
".