trouw

Betekenis trouw

De betekenis van trouw is: "Ibijvoeglijk naamwoord en bijwoordgehecht; steeds verbondenheid tonend; standvastig: trouwe liefde ;de vergaderingen trouw bijwonensteeds, zonder een keer over te slaan; overeenkomstig de werkelijkheid:een trouw verslag ;II1 de -woord gehechtheid; eerlijkheid;goede trouwfatsoen, eerlijkheid, goede bedoeling;te goeder trouwniet wetend verkeerd te doen, met goede bedoelingen;te kwader trouwniet eerlijk, met verkeerde bedoelingen;Trouw moet blijkenzinspreuk van de Haarlemse Rederijkerskamer; zie ook bij2 hou ;2 de -woord (mannelijk) verouderd huwelijk
trouwelijk, gehecht, getrouw, loyaal, standvastig, toegewijdaanhankelijkheid, trouwheid, eerlijkheid, gehechtheid, getrouwheid, standvastigheidhuwelijk
".

Defenitie trouw

De definitie van trouw is: "Ibijvoeglijk naamwoord en bijwoordgehecht; steeds verbondenheid tonend; standvastig: trouwe liefde ;de vergaderingen trouw bijwonensteeds, zonder een keer over te slaan; overeenkomstig de werkelijkheid:een trouw verslag ;II1 de -woord gehechtheid; eerlijkheid;goede trouwfatsoen, eerlijkheid, goede bedoeling;te goeder trouwniet wetend verkeerd te doen, met goede bedoelingen;te kwader trouwniet eerlijk, met verkeerde bedoelingen;Trouw moet blijkenzinspreuk van de Haarlemse Rederijkerskamer; zie ook bij2 hou ;2 de -woord (mannelijk) verouderd huwelijk
trouwelijk, gehecht, getrouw, loyaal, standvastig, toegewijdaanhankelijkheid, trouwheid, eerlijkheid, gehechtheid, getrouwheid, standvastigheidhuwelijk
".