trek

Betekenis trek

De betekenis van trek is: "de -woord (mannelijk)trekkenhet trekken;1haal: een trekje aan een sigaar ;2lijn: in grote trekken ;3gelaatstrek, karaktertrek;4neiging, lust, vooral tot eten;5 streek; zie ook bij thuiskrijgen ;6 verhuizing:de Grote Trekverhuizing van de Boeren uit de Kaapkolonie in 1836;7 het op regelmatige tijden tussen bepaalde gebieden heen en weer bewegen van zekere diersoorten, vooral vogelsoorten;8 tocht (bet 1): op de trek zitten ;9in trek zijnbegeerd worden, in de smaak vallen;10 insnijding in de loop van een vuurwapen;11 slag bij het kaartspel;12aan zijn trek of trekken komenzijn deel krijgen, krijgen wat hem toekomt;13 Zuid-Nederlands periode, poos, tijdje;in één trekin één ruk; tukje, een poos slapen:een (goeie) trek doen
een ontkoppeld stuk van een boorserie
het totaal van handelingen van het vissen meteen sleepnet: uitzetten, vissen en halen; 2)de periode van het vissen
hoeveelheid gevangen vis die in één visserijhandeling of-operatie wordt binnengehaald
Passage van de broots door het werkstuk
Spiraalvormige uitfreesing in de binnenzijde der loop om het projectiel
haal, hijslijngelaatstrek, gelaatsuitdrukkingkaraktertrek, trekjepuf, goesting, lust, neiging, zinappetijt, eetlustuittocht, verhuizing, landverhuizingpoos, tijdje, periodeloop, stroom, tochtsnoktukje
".

Defenitie trek

De definitie van trek is: "de -woord (mannelijk)trekkenhet trekken;1haal: een trekje aan een sigaar ;2lijn: in grote trekken ;3gelaatstrek, karaktertrek;4neiging, lust, vooral tot eten;5 streek; zie ook bij thuiskrijgen ;6 verhuizing:de Grote Trekverhuizing van de Boeren uit de Kaapkolonie in 1836;7 het op regelmatige tijden tussen bepaalde gebieden heen en weer bewegen van zekere diersoorten, vooral vogelsoorten;8 tocht (bet 1): op de trek zitten ;9in trek zijnbegeerd worden, in de smaak vallen;10 insnijding in de loop van een vuurwapen;11 slag bij het kaartspel;12aan zijn trek of trekken komenzijn deel krijgen, krijgen wat hem toekomt;13 Zuid-Nederlands periode, poos, tijdje;in één trekin één ruk; tukje, een poos slapen:een (goeie) trek doen
een ontkoppeld stuk van een boorserie
het totaal van handelingen van het vissen meteen sleepnet: uitzetten, vissen en halen; 2)de periode van het vissen
hoeveelheid gevangen vis die in één visserijhandeling of-operatie wordt binnengehaald
Passage van de broots door het werkstuk
Spiraalvormige uitfreesing in de binnenzijde der loop om het projectiel
haal, hijslijngelaatstrek, gelaatsuitdrukkingkaraktertrek, trekjepuf, goesting, lust, neiging, zinappetijt, eetlustuittocht, verhuizing, landverhuizingpoos, tijdje, periodeloop, stroom, tochtsnoktukje
".