tong

Betekenis tong

De betekenis van tong is: "de -woordtongen1het beweeglijke smaak- en spraakorgaan in de mond;een beslagen tongzie bij beslaan (bet 4) en tongbeslag ;een fijne tong hebbeneen fijne smaak hebben;een fluwelen tong hebbengoed kunnen vleien;een gladde tong hebbengoed kunnen praten;een lange tong hebbenveel praten, kwaadspreken;een losse tong hebbenniets voor zich kunnen houden;een radde tong hebbenvlot kunnen praten;het lag me op de tongik was juist van plan het te zeggen;over de tong gaana) veel besproken worden; b) overgeven, over de nek gaan;zijn tong slaat dubbel(van een dronkeman) hij praat onduidelijk;zijn tong ergens over brekeniets niet kunnen uitspreken;alsof er een engeltje over je tong piest of fietstgezegd wanneer men iets heel lekkers eet of drinkt;(niet) het achterste van zijn tong laten zien(niet) laten zien waartoe men in staat is, expres (niet) al zijn mogelijkheden tonen;Zuid-Nederlands :onder de tong gesneden zijnrad van tong zijn;Zuid-Nederlands :niet op zijn tong gevallen zijnniet op zijn mond(je) gevallen zijn;Zuid-Nederlands :zijn tong inslikken, intrekkenzijn woord breken;Zuid-Nederlands :over de tong rijdenhet onderwerp van gesprek zijn, over de tong gaan;Zuid-Nederlands :zijn tong slaat ijzer, kadul e.d.zijn tong slaat dubbel, hij praat als een dronkeman, met een dikke tong;Zuid-Nederlands :de tong naar iets uitstekeniets niet lusten; zie ook bijrijden , scheermes ;2vlees van rundertongen;3 bijbel taal, glossolalie;in tongen sprekeneen door de Heilige Geest geïnspireerde taal spreken; vgl. Handelingen 2 : 4;4tongvormige platvis uit de familie Soleidae, gekenmerkt door op de rechterzijde gelegen ogen, o.a. voorkomend in de Noordzee;5 tongvormig voorwerp: bijv. het lapje leer onder de vetergaten van een rijgschoen; pennetje van een gesp; schieter van een slot; naald van een balans; spits railstuk in een spoorwegwissel; metalen plaatje in bepaalde blaasinstrumenten
1 Beweeglijk lichaamsdeel in de mond, wordt gebruikt bij het spreken, proeven, kauwen en slikken en het schoonhouden van het gebit. 2 Wat gesproken wordt. 3 Wat de vorm van een tong (1) heeft, bijvoorbeeld een landtong of de tong van een schoen. 4 Bij een slot: dat gedeelte van de schieter dat naar buiten komt.
bladspraak, taal
".

Defenitie tong

De definitie van tong is: "de -woordtongen1het beweeglijke smaak- en spraakorgaan in de mond;een beslagen tongzie bij beslaan (bet 4) en tongbeslag ;een fijne tong hebbeneen fijne smaak hebben;een fluwelen tong hebbengoed kunnen vleien;een gladde tong hebbengoed kunnen praten;een lange tong hebbenveel praten, kwaadspreken;een losse tong hebbenniets voor zich kunnen houden;een radde tong hebbenvlot kunnen praten;het lag me op de tongik was juist van plan het te zeggen;over de tong gaana) veel besproken worden; b) overgeven, over de nek gaan;zijn tong slaat dubbel(van een dronkeman) hij praat onduidelijk;zijn tong ergens over brekeniets niet kunnen uitspreken;alsof er een engeltje over je tong piest of fietstgezegd wanneer men iets heel lekkers eet of drinkt;(niet) het achterste van zijn tong laten zien(niet) laten zien waartoe men in staat is, expres (niet) al zijn mogelijkheden tonen;Zuid-Nederlands :onder de tong gesneden zijnrad van tong zijn;Zuid-Nederlands :niet op zijn tong gevallen zijnniet op zijn mond(je) gevallen zijn;Zuid-Nederlands :zijn tong inslikken, intrekkenzijn woord breken;Zuid-Nederlands :over de tong rijdenhet onderwerp van gesprek zijn, over de tong gaan;Zuid-Nederlands :zijn tong slaat ijzer, kadul e.d.zijn tong slaat dubbel, hij praat als een dronkeman, met een dikke tong;Zuid-Nederlands :de tong naar iets uitstekeniets niet lusten; zie ook bijrijden , scheermes ;2vlees van rundertongen;3 bijbel taal, glossolalie;in tongen sprekeneen door de Heilige Geest geïnspireerde taal spreken; vgl. Handelingen 2 : 4;4tongvormige platvis uit de familie Soleidae, gekenmerkt door op de rechterzijde gelegen ogen, o.a. voorkomend in de Noordzee;5 tongvormig voorwerp: bijv. het lapje leer onder de vetergaten van een rijgschoen; pennetje van een gesp; schieter van een slot; naald van een balans; spits railstuk in een spoorwegwissel; metalen plaatje in bepaalde blaasinstrumenten
1 Beweeglijk lichaamsdeel in de mond, wordt gebruikt bij het spreken, proeven, kauwen en slikken en het schoonhouden van het gebit. 2 Wat gesproken wordt. 3 Wat de vorm van een tong (1) heeft, bijvoorbeeld een landtong of de tong van een schoen. 4 Bij een slot: dat gedeelte van de schieter dat naar buiten komt.
bladspraak, taal
".