tijd

Betekenis tijd

De betekenis van tijd is: "de -woord (mannelijk)tijden1opeenvolging van momenten; duur; tijdstip;op tijdop de juiste, vastgestelde tijd;over tijdte laat, vooral gezegd bij uitblijvende menstruatie;te allen tijdesteeds;te bekwamer tijd, te rechter tijdop het juiste ogenblik;te zijner tijdals de tijd daarvoor gekomen is;ten tijde vanin de tijd van;bij tijd en wijlenu en dan, bij gelegenheid;bij tijdennu en dan, afwisselend;uit de tijdverouderd;de dure, kostelijke tijdde tijd die zoveel waard is;de goede oude tijdvroeger toen we het nog goed hadden;het is hoog tijdhet kan niet langer uitgesteld worden;tijd is geldde tijd heeft waarde door de arbeid die men erin kan verrichten, men moet de tijd nuttig besteden;er is een tijd van komen en een tijd van gaanalles heeft een begin en een einde;als ik tijd van leven hebals ik lang genoeg leef;de tijd zal `t lerenals het zover is zullen we het weten;met de tijd meegaanzich aan veranderende eisen, gebruiken e.d. aanpassen;van tijd noch uur wetenin `t geheel niet weten hoe laat het is;andere tijden, andere zedenmet de tijd veranderen de zeden;dammen , schaken :door zijn tijd gaanin een bepaalde tijdsduur minder dan het voorgeschreven aantal zetten doen;Zuid-Nederlands :op tijd en stonda) op het juiste ogenblik; b) zo af en toe, bij tijd en wijle;Zuid-Nederlands :van tijdaf en toe, soms, nu en dan; zie ook bijraad en woekeren ;2 taalkunde vorm van een werkwoord waardoor een gebeurtenis voorgesteld wordt in verleden, heden of toekomst: verleden tijd , tegenwoordige tijd , toekomende tijd
duur, poos, wijlhora, tijdstip, uur, stond
".

Defenitie tijd

De definitie van tijd is: "de -woord (mannelijk)tijden1opeenvolging van momenten; duur; tijdstip;op tijdop de juiste, vastgestelde tijd;over tijdte laat, vooral gezegd bij uitblijvende menstruatie;te allen tijdesteeds;te bekwamer tijd, te rechter tijdop het juiste ogenblik;te zijner tijdals de tijd daarvoor gekomen is;ten tijde vanin de tijd van;bij tijd en wijlenu en dan, bij gelegenheid;bij tijdennu en dan, afwisselend;uit de tijdverouderd;de dure, kostelijke tijdde tijd die zoveel waard is;de goede oude tijdvroeger toen we het nog goed hadden;het is hoog tijdhet kan niet langer uitgesteld worden;tijd is geldde tijd heeft waarde door de arbeid die men erin kan verrichten, men moet de tijd nuttig besteden;er is een tijd van komen en een tijd van gaanalles heeft een begin en een einde;als ik tijd van leven hebals ik lang genoeg leef;de tijd zal `t lerenals het zover is zullen we het weten;met de tijd meegaanzich aan veranderende eisen, gebruiken e.d. aanpassen;van tijd noch uur wetenin `t geheel niet weten hoe laat het is;andere tijden, andere zedenmet de tijd veranderen de zeden;dammen , schaken :door zijn tijd gaanin een bepaalde tijdsduur minder dan het voorgeschreven aantal zetten doen;Zuid-Nederlands :op tijd en stonda) op het juiste ogenblik; b) zo af en toe, bij tijd en wijle;Zuid-Nederlands :van tijdaf en toe, soms, nu en dan; zie ook bijraad en woekeren ;2 taalkunde vorm van een werkwoord waardoor een gebeurtenis voorgesteld wordt in verleden, heden of toekomst: verleden tijd , tegenwoordige tijd , toekomende tijd
duur, poos, wijlhora, tijdstip, uur, stond
".