tand

Betekenis tand

De betekenis van tand is: "de -woord (mannelijk)tanden1scherp stukje been in de kaak; Zuid-Nederlands ook kies;de tand des tijdsde vernielende invloed van de tijd;vlug met de hand, vlug met de tandwie vlug werkt, eet ook vlug;met lange tanden etenlangzaam, zonder eetlust;tot de tanden gewapendzwaar bewapend;haar op de tanden hebbenvinnig van zich af weten te praten, hard kunnen optreden;van de hand in de tand leventelkens het verdiende geld opmaken, zonder zorgen voor de toekomst;met de (of een) mond vol tanden staanniets weten te zeggen;de lekkere tand uittrekkende begeerte naar lekker eten afleggen;zich met hand en tand verzettenmet de uiterste inspanning;iem. aan de tand voeleniemands kennis of karaktereigenschappen of gezindheid degelijk onderzoeken;de tanden laten zieneen dreigende houding aannemen, streng optreden;de tanden op elkaar zettenzich krachtig inspannen;de tanden op iets brekenschade ondervinden door een te moeilijke taak op zich te nemen;Zuid-Nederlands :iem. een tand trekkeniem. bedriegen, beetnemen, foppen;2puntig uitsteeksel: de tanden van een zaag ;een tandje meer, minder schakelenwielersport in een iets lichtere, zwaardere versnelling schakelen
1 Een hard, wit voorwerp in de mond, meestal in 2 horizontale rijen aanwezig (één in elke kaak) en algemeen gebruikt om te eten. 2 Een scherp uitsteeksel aan voorwerpen (bijvoorbeeld aan zagen of tandwielen).
elk der harde beenachtige elementen, waaruit een gebit is opgebouwd
Individuele tand van een cirkelzaagblad met ingezette tanden, met groef, lip en pen bevestigd aan de rug
".

Defenitie tand

De definitie van tand is: "de -woord (mannelijk)tanden1scherp stukje been in de kaak; Zuid-Nederlands ook kies;de tand des tijdsde vernielende invloed van de tijd;vlug met de hand, vlug met de tandwie vlug werkt, eet ook vlug;met lange tanden etenlangzaam, zonder eetlust;tot de tanden gewapendzwaar bewapend;haar op de tanden hebbenvinnig van zich af weten te praten, hard kunnen optreden;van de hand in de tand leventelkens het verdiende geld opmaken, zonder zorgen voor de toekomst;met de (of een) mond vol tanden staanniets weten te zeggen;de lekkere tand uittrekkende begeerte naar lekker eten afleggen;zich met hand en tand verzettenmet de uiterste inspanning;iem. aan de tand voeleniemands kennis of karaktereigenschappen of gezindheid degelijk onderzoeken;de tanden laten zieneen dreigende houding aannemen, streng optreden;de tanden op elkaar zettenzich krachtig inspannen;de tanden op iets brekenschade ondervinden door een te moeilijke taak op zich te nemen;Zuid-Nederlands :iem. een tand trekkeniem. bedriegen, beetnemen, foppen;2puntig uitsteeksel: de tanden van een zaag ;een tandje meer, minder schakelenwielersport in een iets lichtere, zwaardere versnelling schakelen
1 Een hard, wit voorwerp in de mond, meestal in 2 horizontale rijen aanwezig (één in elke kaak) en algemeen gebruikt om te eten. 2 Een scherp uitsteeksel aan voorwerpen (bijvoorbeeld aan zagen of tandwielen).
elk der harde beenachtige elementen, waaruit een gebit is opgebouwd
Individuele tand van een cirkelzaagblad met ingezette tanden, met groef, lip en pen bevestigd aan de rug
".