slaan

Betekenis slaan

De betekenis van slaan is: "(sloeg, 1, 2, 4, 5, 9, 10, 12, 14, 15, 17, 18 overgankelijk h., 3, 11, 13, 16 onovergankelijk h., 6, 7, 8 onovergankelijk is geslagen)1slagen, klappen geven;de hand aan zichzelf slaanzelfmoord plegen;zich ergens doorheen slaanmoeilijkheden overwinnen;figuurlijk straffen, kastijden: God slaat met rampen ; de slaande hand Gods ; zie ook bij kort ;2hameren, timmeren; door hameren vastmaken;3kloppen: het hart, de pols slaat ;4maken: munt slaan ; alarm slaan ; de maat slaan ; een brug over een rivier slaan ; een kruis slaan ;een gek figuur slaaneen vreemde indruk maken;Zuid-Nederlands :room slaanroom kloppen;Zuid-Nederlands :een babbeltje, praatje slaaneen praatje maken;Zuid-Nederlands :iets uit zijn botten slaanonzin vertellen; zomaar wat vertellen;5 met een slag doen vallen, doen neerkomen: hij sloeg de deur dicht ;6 met een slag neerkomen: tegen de grond slaan ;7 met een vaart uit of over iets heen komen: de vlammen sloegen uit de ramen ; figuurlijk :de schrik sloeg hem om het hartzie bij schrik ;8 beginnen met, overgaan tot: op de vlucht slaan , aan het werken slaan ;9 verslaan: met 3-0 geslagen ;10 door slaan geluid geven: hij sloeg de trom ;11 helder geluid van sommige vogels: het slaan van een vink, kwartel, nachtegaal ;12 richten: de ogen ten hemel slaan ;13slaan opa) betrekking hebben op: waar slaat dat op? ; b) Zuid-Nederlands (van gebeurtenissen) betrekking hebben op, toegepast worden op: deze centralisatie slaat op het personeel ;dat slaat nergens opdat is volkomen zinloos;14 schaken , dammen stukken van de tegenpartij winnen;15 vouwen, omleggen: de rand naar binnen slaan ;16 van klokken op gezette tijden geluid voortbrengen: de klok sloeg tien ;17 doodslaan (gezegd van roofvogels m.b.t. hun prooi): de havik had een kraai geslagen ;18 Zuid-Nederlands :een kaartje slaaneen kaartje leggen, kaarten
klappen geven, knuppelen, meppen, op de broek geven, rammen, ranselen, straffen, turven, afranselen, afrossen, geselen, kastijden, mishandelen, neuken, pekken, stompen, stoten, vechtenhameren, timmeren, beukenklapperen, tikken, botsen, klappen, kletsen, kletteren, klotsen, ploffen, zwiependichtsmakken, gooien, smijtenpalpiteren, jagen, kloppen, pulserendoodslaanstriemenverslaan, overdonderen, overtreffenkwelen
".

Defenitie slaan

De definitie van slaan is: "(sloeg, 1, 2, 4, 5, 9, 10, 12, 14, 15, 17, 18 overgankelijk h., 3, 11, 13, 16 onovergankelijk h., 6, 7, 8 onovergankelijk is geslagen)1slagen, klappen geven;de hand aan zichzelf slaanzelfmoord plegen;zich ergens doorheen slaanmoeilijkheden overwinnen;figuurlijk straffen, kastijden: God slaat met rampen ; de slaande hand Gods ; zie ook bij kort ;2hameren, timmeren; door hameren vastmaken;3kloppen: het hart, de pols slaat ;4maken: munt slaan ; alarm slaan ; de maat slaan ; een brug over een rivier slaan ; een kruis slaan ;een gek figuur slaaneen vreemde indruk maken;Zuid-Nederlands :room slaanroom kloppen;Zuid-Nederlands :een babbeltje, praatje slaaneen praatje maken;Zuid-Nederlands :iets uit zijn botten slaanonzin vertellen; zomaar wat vertellen;5 met een slag doen vallen, doen neerkomen: hij sloeg de deur dicht ;6 met een slag neerkomen: tegen de grond slaan ;7 met een vaart uit of over iets heen komen: de vlammen sloegen uit de ramen ; figuurlijk :de schrik sloeg hem om het hartzie bij schrik ;8 beginnen met, overgaan tot: op de vlucht slaan , aan het werken slaan ;9 verslaan: met 3-0 geslagen ;10 door slaan geluid geven: hij sloeg de trom ;11 helder geluid van sommige vogels: het slaan van een vink, kwartel, nachtegaal ;12 richten: de ogen ten hemel slaan ;13slaan opa) betrekking hebben op: waar slaat dat op? ; b) Zuid-Nederlands (van gebeurtenissen) betrekking hebben op, toegepast worden op: deze centralisatie slaat op het personeel ;dat slaat nergens opdat is volkomen zinloos;14 schaken , dammen stukken van de tegenpartij winnen;15 vouwen, omleggen: de rand naar binnen slaan ;16 van klokken op gezette tijden geluid voortbrengen: de klok sloeg tien ;17 doodslaan (gezegd van roofvogels m.b.t. hun prooi): de havik had een kraai geslagen ;18 Zuid-Nederlands :een kaartje slaaneen kaartje leggen, kaarten
klappen geven, knuppelen, meppen, op de broek geven, rammen, ranselen, straffen, turven, afranselen, afrossen, geselen, kastijden, mishandelen, neuken, pekken, stompen, stoten, vechtenhameren, timmeren, beukenklapperen, tikken, botsen, klappen, kletsen, kletteren, klotsen, ploffen, zwiependichtsmakken, gooien, smijtenpalpiteren, jagen, kloppen, pulserendoodslaanstriemenverslaan, overdonderen, overtreffenkwelen
".