passeren

Betekenis passeren

De betekenis van passeren is: "pas` se - ren(«Frans«Latijn) (passeerde, 1, 7, 11, 12, 13 onovergankelijk is, 2 overgankelijk is, 4, 5, 6, 8, 9, 10 overgankelijk h. gepasseerd)1voorbijgaan; langs iets komen; langs iem. of iets heen gaan; balsport een tegenstander voorbijgaan, terwijl men in balbezit is;2achter zich laten:hij is de 50 gepasseerdmeer dan 50 jaar oud;3laten passerenvoorbij laten gaan zonder er acht op te slaan of aanmerking op te maken;4overslaan; voorbijgaan bij een benoeming e.d.;5 door een (nauwe) doorgang gaan;6 laten voorbijgaan;de tijd passerendoorbrengen, slijten;7 gebeuren; er passeren hier rare dingen ;8 verlijden;een akte passerenals notaris opmaken, bekrachtigen;9 balsport een tegenstander voorbijgaan, terwijl men in balbezit is;10 kookkunst (door een doek) zeven;11 Zuid-Nederlands door zijn examen komen, slagen;12 Zuid-Nederlands sterven;gepasseerd zijndood zijn;13 Zuid-Nederlands (ergens) komen, langs komen;bij iem. passerenaanlopen, langs komen
voorbijgaanoverslaangebeurenverlijdenzevendoorgaan, slagenstervenkomenomspelenmijden, omzeilen, ontduikenremonteren
".

Defenitie passeren

De definitie van passeren is: "pas` se - ren(«Frans«Latijn) (passeerde, 1, 7, 11, 12, 13 onovergankelijk is, 2 overgankelijk is, 4, 5, 6, 8, 9, 10 overgankelijk h. gepasseerd)1voorbijgaan; langs iets komen; langs iem. of iets heen gaan; balsport een tegenstander voorbijgaan, terwijl men in balbezit is;2achter zich laten:hij is de 50 gepasseerdmeer dan 50 jaar oud;3laten passerenvoorbij laten gaan zonder er acht op te slaan of aanmerking op te maken;4overslaan; voorbijgaan bij een benoeming e.d.;5 door een (nauwe) doorgang gaan;6 laten voorbijgaan;de tijd passerendoorbrengen, slijten;7 gebeuren; er passeren hier rare dingen ;8 verlijden;een akte passerenals notaris opmaken, bekrachtigen;9 balsport een tegenstander voorbijgaan, terwijl men in balbezit is;10 kookkunst (door een doek) zeven;11 Zuid-Nederlands door zijn examen komen, slagen;12 Zuid-Nederlands sterven;gepasseerd zijndood zijn;13 Zuid-Nederlands (ergens) komen, langs komen;bij iem. passerenaanlopen, langs komen
voorbijgaanoverslaangebeurenverlijdenzevendoorgaan, slagenstervenkomenomspelenmijden, omzeilen, ontduikenremonteren
".