lui

Betekenis lui

De betekenis van lui is: "bijvoeglijk naamwoord en bijwoord1zonder lust tot activiteit (als karaktereigenschap): een luie vrouw ;hij is liever lui dan moegezegd van een persoon die zich niet wenst in te spannen;een lui varkenschimpende benaming voor een lui persoon;kom eens met je luie gat van die stoel afaansporing gericht tot een luizittende persoon om iets te gaan doen;zo komt het luie zweet eruitgezegd als een luie persoon zich eens inspant;luie stoelgemakkelijke leunstoel;lui oogoog met verminderd gezichtsvermogen, zonder dat er organische afwijkingen aantoonbaar zijn;luie trap1 trap (bet 5) met brede treden en een geringe hellingshoek;2tijdelijk geen lust tot activiteit hebbend: ik was zo lui vandaag dat er niets uit mijn vingers is gekomen ;3 handel flauw, traag: een luie markt2lui ,` lui - denmeervoudig zelfstandig naamwoordlieden; luitjes vriendelijk-neerbuigende benaming of aanspreekvorm: ach, het zijn beste luitjes ; gaan jullie mee, luitjes?
traag, werkschuw, nalatig, vadsigflauwluitjes, lieden, luiden
".

Defenitie lui

De definitie van lui is: "bijvoeglijk naamwoord en bijwoord1zonder lust tot activiteit (als karaktereigenschap): een luie vrouw ;hij is liever lui dan moegezegd van een persoon die zich niet wenst in te spannen;een lui varkenschimpende benaming voor een lui persoon;kom eens met je luie gat van die stoel afaansporing gericht tot een luizittende persoon om iets te gaan doen;zo komt het luie zweet eruitgezegd als een luie persoon zich eens inspant;luie stoelgemakkelijke leunstoel;lui oogoog met verminderd gezichtsvermogen, zonder dat er organische afwijkingen aantoonbaar zijn;luie trap1 trap (bet 5) met brede treden en een geringe hellingshoek;2tijdelijk geen lust tot activiteit hebbend: ik was zo lui vandaag dat er niets uit mijn vingers is gekomen ;3 handel flauw, traag: een luie markt2lui ,` lui - denmeervoudig zelfstandig naamwoordlieden; luitjes vriendelijk-neerbuigende benaming of aanspreekvorm: ach, het zijn beste luitjes ; gaan jullie mee, luitjes?
traag, werkschuw, nalatig, vadsigflauwluitjes, lieden, luiden
".