last

Betekenis last

De betekenis van last is: "lastenIde -woord (mannelijk)1zwaarte, vracht, lading; figuurlijk bezwaar, moeite, hinder; iem. iets ten laste leggen iem. van iets beschuldigen; geldelijke verplichting:ten laste komen vanbetaald moeten worden door;te mijnen lastedoor mij betaald moetende worden (boekhouden in het debet van mijn rekening);op zware lasten zittenzware, regelmatig terugkerende geldelijke verplichtingen hebben (als: belasting, rente, huur);Zuid-Nederlands :last hebben, lijden (om)moeite;Zuid-Nederlands :last verkopenlastig, moeilijk, vervelend zijn; zie ook bijbaat , eind (bet 5) ;2bevel: last geven tot iets, op last van ;3 Zuid-Nederlands lastpost: kind, wat zijt ge toch weer een last! ;IIhet -woordinhoudsmaat, bijv.een last graan30 hl;een last haring17kantjes
hinder, onaangenaamheid
gewicht, lading, vracht, zwaarteinconveniƫnt, ongemakkelijkheid, ongerieflijkheid, armoe, bezwaar, gesodemieter, hinder, kwelling, malheur, moeilijkheid, moeite, narigheid, onaangenaamheid, ongemak, ongerief, plaag, slameur, soesa, spelopdracht, bevel, mandaat, orderlastpost
".

Defenitie last

De definitie van last is: "lastenIde -woord (mannelijk)1zwaarte, vracht, lading; figuurlijk bezwaar, moeite, hinder; iem. iets ten laste leggen iem. van iets beschuldigen; geldelijke verplichting:ten laste komen vanbetaald moeten worden door;te mijnen lastedoor mij betaald moetende worden (boekhouden in het debet van mijn rekening);op zware lasten zittenzware, regelmatig terugkerende geldelijke verplichtingen hebben (als: belasting, rente, huur);Zuid-Nederlands :last hebben, lijden (om)moeite;Zuid-Nederlands :last verkopenlastig, moeilijk, vervelend zijn; zie ook bijbaat , eind (bet 5) ;2bevel: last geven tot iets, op last van ;3 Zuid-Nederlands lastpost: kind, wat zijt ge toch weer een last! ;IIhet -woordinhoudsmaat, bijv.een last graan30 hl;een last haring17kantjes
hinder, onaangenaamheid
gewicht, lading, vracht, zwaarteinconveniƫnt, ongemakkelijkheid, ongerieflijkheid, armoe, bezwaar, gesodemieter, hinder, kwelling, malheur, moeilijkheid, moeite, narigheid, onaangenaamheid, ongemak, ongerief, plaag, slameur, soesa, spelopdracht, bevel, mandaat, orderlastpost
".