huis

Betekenis huis

De betekenis van huis is: "het -woordhuizen1woning;ten huize van A.bij A. aan huis;huizen bouwen op iem.iem. ten zeerste vertrouwen;zo vast als een huiszeer vast, zeer zeker;iets in huis hebbenover iets beschikken, ook figuurlijk ;huis aan huislangs alle huizen;Zuid-Nederlands :ten huize komenaan huis komen;Zuid-Nederlands :(iets) ten huize bestellenthuis bezorgen;Zuid-Nederlands :nog verder van huis zijnnog dieper in de problemen zitten;daar komt niets van in huisdaar komt niets van (terecht);2gezin:de heer des huizeshet hoofd van een gezin, de huisvader;3familie, geslacht: het vorstelijk huis ;4firma, handelshuis; Zuid-Nederlands :huis van vertrouwenvertrouwd adres; zie ook bijglazen , 1 goed , huisje , kind , opeten en zuinigheid
Gebouw bestemd om in te wonen.
geheel waarin de draaiende onderdelen van een horloge of klok geplaatst zijn
heem, home, maison, woonhuis, kot, woning, woonstfamilie, geslachtfirma, handelshuis
".

Defenitie huis

De definitie van huis is: "het -woordhuizen1woning;ten huize van A.bij A. aan huis;huizen bouwen op iem.iem. ten zeerste vertrouwen;zo vast als een huiszeer vast, zeer zeker;iets in huis hebbenover iets beschikken, ook figuurlijk ;huis aan huislangs alle huizen;Zuid-Nederlands :ten huize komenaan huis komen;Zuid-Nederlands :(iets) ten huize bestellenthuis bezorgen;Zuid-Nederlands :nog verder van huis zijnnog dieper in de problemen zitten;daar komt niets van in huisdaar komt niets van (terecht);2gezin:de heer des huizeshet hoofd van een gezin, de huisvader;3familie, geslacht: het vorstelijk huis ;4firma, handelshuis; Zuid-Nederlands :huis van vertrouwenvertrouwd adres; zie ook bijglazen , 1 goed , huisje , kind , opeten en zuinigheid
Gebouw bestemd om in te wonen.
geheel waarin de draaiende onderdelen van een horloge of klok geplaatst zijn
heem, home, maison, woonhuis, kot, woning, woonstfamilie, geslachtfirma, handelshuis
".