gaan

Betekenis gaan

De betekenis van gaan is: "(ging, is gegaan)I1zich (te voet) voortbewegen; Zuid-Nederlands lopen: in een draf gaan ; met de auto naar huis gaan ; Zuid-Nederlands :bij iem. gaanbij iem. op bezoek gaan;Zuid-Nederlands :nergens meer gaannergens meer komen, nergens meer naartoe gaan (van zieken e.d.);Zuid-Nederlands :een gaande ziekeeen lopende, niet bedlegerige zieke;Zuid-Nederlands :naar de vijftig, zijn vijftigste gaantegen de vijftig (jaar) lopen;2zich verwijderen: laten we gaan ; het was een komen en gaan ;3werkzaam zijn: de klok gaat niet ; ik hoor de bel gaan ; Zuid-Nederlands :het deeg begint te gaanbegint te rijzen;4zich (in een richting) uitstrekken: het pad gaat door de heide ; die trap gaat naar de zolder ;5 gebeuren: het werk gaat slecht ; dat gaat vanzelf ;6 de genoemde bezigheid (beginnen te) verrichten: we gaan eten ; zullen we vanavond gaan schaken? ;gaan voorzijn zinnen gezet hebben op: hij gaat voor goud ; ik ga voor die knul! ;ervoor gaanhet zeker gaan doenZuid-Nederlands :voor onderwijzer, dokter gaanvoor onderwijzer, dokter (gaan) studeren;Zuid-Nederlands :dat, iets gaat me nietdat ligt me niet;7gaan overzich bezighouden met: die dokter gaat over de patiënt ;dit boek gaat over moderne kunst ;8gaan voormet nadruk op voor voorrang hebben: werk gaat voor het meisje ;om kort te gaankortom;verloren gaankwijt raken; geen uitzicht op redding meer hebben;zich laten gaanongeremd doen wat men wil;het boek gaat goedwordt goed verkocht;9 Zuid-Nederlands zullen: ik ga komen ; hij gaat zijn moeder terugzien ;IIonpersoonlijk werkwoord :het gaat regenen ; het gaat bergafwaarts met hem ; zie ook bij gaande en gaans
tiegen, zich begeven, tijgen, trekken, varenfunctioneren, lopen, werkengebeuren, verlopenzullenschuivenvertrekken, weggaan, heengaanoptrekken
".

Defenitie gaan

De definitie van gaan is: "(ging, is gegaan)I1zich (te voet) voortbewegen; Zuid-Nederlands lopen: in een draf gaan ; met de auto naar huis gaan ; Zuid-Nederlands :bij iem. gaanbij iem. op bezoek gaan;Zuid-Nederlands :nergens meer gaannergens meer komen, nergens meer naartoe gaan (van zieken e.d.);Zuid-Nederlands :een gaande ziekeeen lopende, niet bedlegerige zieke;Zuid-Nederlands :naar de vijftig, zijn vijftigste gaantegen de vijftig (jaar) lopen;2zich verwijderen: laten we gaan ; het was een komen en gaan ;3werkzaam zijn: de klok gaat niet ; ik hoor de bel gaan ; Zuid-Nederlands :het deeg begint te gaanbegint te rijzen;4zich (in een richting) uitstrekken: het pad gaat door de heide ; die trap gaat naar de zolder ;5 gebeuren: het werk gaat slecht ; dat gaat vanzelf ;6 de genoemde bezigheid (beginnen te) verrichten: we gaan eten ; zullen we vanavond gaan schaken? ;gaan voorzijn zinnen gezet hebben op: hij gaat voor goud ; ik ga voor die knul! ;ervoor gaanhet zeker gaan doenZuid-Nederlands :voor onderwijzer, dokter gaanvoor onderwijzer, dokter (gaan) studeren;Zuid-Nederlands :dat, iets gaat me nietdat ligt me niet;7gaan overzich bezighouden met: die dokter gaat over de patiënt ;dit boek gaat over moderne kunst ;8gaan voormet nadruk op voor voorrang hebben: werk gaat voor het meisje ;om kort te gaankortom;verloren gaankwijt raken; geen uitzicht op redding meer hebben;zich laten gaanongeremd doen wat men wil;het boek gaat goedwordt goed verkocht;9 Zuid-Nederlands zullen: ik ga komen ; hij gaat zijn moeder terugzien ;IIonpersoonlijk werkwoord :het gaat regenen ; het gaat bergafwaarts met hem ; zie ook bij gaande en gaans
tiegen, zich begeven, tijgen, trekken, varenfunctioneren, lopen, werkengebeuren, verlopenzullenschuivenvertrekken, weggaan, heengaanoptrekken
".