dik

Betekenis dik

De betekenis van dik is: "bijvoeglijk naamwoord en bijwoord1van grote omvang of doorsnede: een dikke stok ; een dik stuk ; de dikke darm ;zich (niet) dik makenzich (niet) opwinden;door dik en dun gaanniets ontzien;iem. door dik en dun verdedigenonder alle omstandigheden;Zuid-Nederlandsdik over dunhals over kop;Zuid-Nederlandsdubbel en dikmeer dan genoeg, dubbel en dwars;2 figuurlijk groot: dik geld verdienen , dikke fooien ;3dicht, ondoordringbaar: dikke duisternis ;4dicht op elkaar groeiend: dik haar ;5 ruim, meer dan: dik honderd euro, een dikke honderd euro ; we hebben dik gewonnen ; Zuid-Nederlands(ergens) dik lopenveel voorkomen;6 volkomen: het is dik in orde ;7 nauw verbonden: dikke vrienden ;8 informeel :dik doengewichtig doen, opscheppen;er dik in zittenkapitaalkrachtig zijn;dat zit er dik indat is zeer waarschijnlijk; zie bijdikdoenerij ;9 Zuid-Nederlands , in negatieve uitdrukkingen erg, in hoge mate;een dikke leugenaareen onverbeterlijke leugenaar;een dikke boerzeer lomp persoon2dikhet -woordbezinksel, droesem; vgl : koffiedik
welgedaan, bol, corpulent, gevuld, gezet, gezwollen, mollig, paf, rond, vet, vlezig, vol, zwaarlijvigvolumineus, fors, lijvig, omvangrijk, zwaarstroperig, gomachtigdrabbigondoordringbaar, dichtruim, volkomendrab, draf, droes, grondsop, zaksel, bezinksel, droesem
".

Defenitie dik

De definitie van dik is: "bijvoeglijk naamwoord en bijwoord1van grote omvang of doorsnede: een dikke stok ; een dik stuk ; de dikke darm ;zich (niet) dik makenzich (niet) opwinden;door dik en dun gaanniets ontzien;iem. door dik en dun verdedigenonder alle omstandigheden;Zuid-Nederlandsdik over dunhals over kop;Zuid-Nederlandsdubbel en dikmeer dan genoeg, dubbel en dwars;2 figuurlijk groot: dik geld verdienen , dikke fooien ;3dicht, ondoordringbaar: dikke duisternis ;4dicht op elkaar groeiend: dik haar ;5 ruim, meer dan: dik honderd euro, een dikke honderd euro ; we hebben dik gewonnen ; Zuid-Nederlands(ergens) dik lopenveel voorkomen;6 volkomen: het is dik in orde ;7 nauw verbonden: dikke vrienden ;8 informeel :dik doengewichtig doen, opscheppen;er dik in zittenkapitaalkrachtig zijn;dat zit er dik indat is zeer waarschijnlijk; zie bijdikdoenerij ;9 Zuid-Nederlands , in negatieve uitdrukkingen erg, in hoge mate;een dikke leugenaareen onverbeterlijke leugenaar;een dikke boerzeer lomp persoon2dikhet -woordbezinksel, droesem; vgl : koffiedik
welgedaan, bol, corpulent, gevuld, gezet, gezwollen, mollig, paf, rond, vet, vlezig, vol, zwaarlijvigvolumineus, fors, lijvig, omvangrijk, zwaarstroperig, gomachtigdrabbigondoordringbaar, dichtruim, volkomendrab, draf, droes, grondsop, zaksel, bezinksel, droesem
".