dag

Betekenis dag

De betekenis van dag is: "Ide -woord (mannelijk)dagen1tijdsperiode van 24 uur, etmaal; een week heeft zeven dagen ; over drie dagen ; op een goede dag ;heden ten dagetegenwoordig;ten eeuwigen dagevoor altijd;de dag des Herenzondag;jaar en daglange tijd;de jongste dag, de laatste dag of de dag des oordeelsoordeelsdag;bij de dag, van de ene dag in de andere levenzonder zich zorgen te maken over de toekomst;op alle dagen lopenhoogzwanger zijn, iedere dag van een kind kunnen bevallen;prijs de dag niet voor het avond ismen mag pas iets loven als het af is;zijn dag niet hebbenin een toestand zijn waarin niets lukt;vandaag de dagtegenwoordig;Zuid-Nederlands :de dag van vandaagvandaag de dag;Zuid-Nederlands :in zijn goeie, slechte dag zijngoed, slecht gehumeurd zijn;Zuid-Nederlands :in zijn dag(je) zijnin vorm zijn, zijn dag hebben (bij een spel of een wedstrijd); zie ook bijhemdsmouw , jaar en orde ;2tijd dat er daglicht is, tegengest : nacht ; de dag breekt aan ;bij dagals het daglicht is;met de dagals het licht wordt, bij dageraad;iets voor de dag haleniets tevoorschijn halen;voor de dag komen met ietsmet iets tevoorschijn komen (eigenschappen, talent e.d.) ;aan de dag leggentonen, laten blijken;dat mag geen dag ziengezegd van kwaad dat in het verborgen gebeurt;van een dag een nacht makenoverdag slapen en `s nachts wakker zijn;voor dag en dauwop een zeer vroeg tijdstip van de dag;het is kort dagwe hebben nog maar weinig tijd;dat scheelt dag en nacht of dat is een verschil van dag en nachtdaar is een groot verschil tussen;hoe later op de dag, hoe schoner volkzie bij avond ;Zuid-Nederlands :er geen dag door ziena) er niet wijs uit worden; b) nog lang niet klaar zijn; zie ook bijgat ;3leeftijd;de oude dagtijd dat men bejaard is;geld opzij leggen voor de oude dag ;IItussenwerpsel :verkorting van goedendag: iem. dag zeggen ; dag, tot een volgende keer! ;zeg maar dag met je handjedat ben je kwijt, dat zul je niet krijgen; zie ook bijdagje
etmaal
".

Defenitie dag

De definitie van dag is: "Ide -woord (mannelijk)dagen1tijdsperiode van 24 uur, etmaal; een week heeft zeven dagen ; over drie dagen ; op een goede dag ;heden ten dagetegenwoordig;ten eeuwigen dagevoor altijd;de dag des Herenzondag;jaar en daglange tijd;de jongste dag, de laatste dag of de dag des oordeelsoordeelsdag;bij de dag, van de ene dag in de andere levenzonder zich zorgen te maken over de toekomst;op alle dagen lopenhoogzwanger zijn, iedere dag van een kind kunnen bevallen;prijs de dag niet voor het avond ismen mag pas iets loven als het af is;zijn dag niet hebbenin een toestand zijn waarin niets lukt;vandaag de dagtegenwoordig;Zuid-Nederlands :de dag van vandaagvandaag de dag;Zuid-Nederlands :in zijn goeie, slechte dag zijngoed, slecht gehumeurd zijn;Zuid-Nederlands :in zijn dag(je) zijnin vorm zijn, zijn dag hebben (bij een spel of een wedstrijd); zie ook bijhemdsmouw , jaar en orde ;2tijd dat er daglicht is, tegengest : nacht ; de dag breekt aan ;bij dagals het daglicht is;met de dagals het licht wordt, bij dageraad;iets voor de dag haleniets tevoorschijn halen;voor de dag komen met ietsmet iets tevoorschijn komen (eigenschappen, talent e.d.) ;aan de dag leggentonen, laten blijken;dat mag geen dag ziengezegd van kwaad dat in het verborgen gebeurt;van een dag een nacht makenoverdag slapen en `s nachts wakker zijn;voor dag en dauwop een zeer vroeg tijdstip van de dag;het is kort dagwe hebben nog maar weinig tijd;dat scheelt dag en nacht of dat is een verschil van dag en nachtdaar is een groot verschil tussen;hoe later op de dag, hoe schoner volkzie bij avond ;Zuid-Nederlands :er geen dag door ziena) er niet wijs uit worden; b) nog lang niet klaar zijn; zie ook bijgat ;3leeftijd;de oude dagtijd dat men bejaard is;geld opzij leggen voor de oude dag ;IItussenwerpsel :verkorting van goedendag: iem. dag zeggen ; dag, tot een volgende keer! ;zeg maar dag met je handjedat ben je kwijt, dat zul je niet krijgen; zie ook bijdagje
etmaal
".