afzetten

Betekenis afzetten

De betekenis van afzetten is: "` af - zet - ten(zette af, h. afgezet)1wegnemen: zijn hoed afzetten ; iem. een arm afzetten ;2de doorgang of toegang beletten: een straat afzetten ;3omzomen;4in lijnen aftekenen, afbakenen;5 uit een ambt of functie zetten;6 te veel laten betalen;7 doen stilhouden: de motor afzetten ;8 doen uitstappen;9 verkopen: deze industrie moet haar producten vooral in het buitenland afzetten ;10 (meestal vervoegd met komen , zie aldaar) : toelopen:hij kwam op mij afzetten ;11 doen bezinken: die zeearm zet slib af ;12 kwijtraken: ik kan die gedachten niet van mij afzetten ;13zich afzettenzich als een dunne laag vastzetten:de kalk zet zich op het glas af ;14 een krachtig begin maken (voor een sprong);15zich afzetten tegenmet nadruk afwijzen
1)Geneeskunst: een ernstig zieke om diens eigen welzijn of dat van andere zieken (indien de ziekte besmettelijk is) afzonderen; 2)Elektriciteit: het energiecircuit geheel uitschakelen, doorgaans om veiligheidsredenen; 3)Beveiliging: een lekkage van vloeistof, gas of andere stof dichten; 4)Een gevaarlijk terrein afzetten
chirurgisch afzetten van een extremiteit of een gedeelte daarvan, ook van elk ander lichaamsdeel
De omtrek van een ruimte bezetten met personen die de toe-of uitgang moeten beletten(1)
afduwen, uitschakelen, afdoen, afstoten, kwijtraken, uittrekken, wegnemen, wegwerken, wegzendenomzomen, afbakenen, omboordenverkopenbelazeren, flessen, neppen, bedriegen, beetnemen, oplichtenuitzetten, uitdoen, uitschakelenonttronenamputerenaflopen, toelopen
".

Defenitie afzetten

De definitie van afzetten is: "` af - zet - ten(zette af, h. afgezet)1wegnemen: zijn hoed afzetten ; iem. een arm afzetten ;2de doorgang of toegang beletten: een straat afzetten ;3omzomen;4in lijnen aftekenen, afbakenen;5 uit een ambt of functie zetten;6 te veel laten betalen;7 doen stilhouden: de motor afzetten ;8 doen uitstappen;9 verkopen: deze industrie moet haar producten vooral in het buitenland afzetten ;10 (meestal vervoegd met komen , zie aldaar) : toelopen:hij kwam op mij afzetten ;11 doen bezinken: die zeearm zet slib af ;12 kwijtraken: ik kan die gedachten niet van mij afzetten ;13zich afzettenzich als een dunne laag vastzetten:de kalk zet zich op het glas af ;14 een krachtig begin maken (voor een sprong);15zich afzetten tegenmet nadruk afwijzen
1)Geneeskunst: een ernstig zieke om diens eigen welzijn of dat van andere zieken (indien de ziekte besmettelijk is) afzonderen; 2)Elektriciteit: het energiecircuit geheel uitschakelen, doorgaans om veiligheidsredenen; 3)Beveiliging: een lekkage van vloeistof, gas of andere stof dichten; 4)Een gevaarlijk terrein afzetten
chirurgisch afzetten van een extremiteit of een gedeelte daarvan, ook van elk ander lichaamsdeel
De omtrek van een ruimte bezetten met personen die de toe-of uitgang moeten beletten(1)
afduwen, uitschakelen, afdoen, afstoten, kwijtraken, uittrekken, wegnemen, wegwerken, wegzendenomzomen, afbakenen, omboordenverkopenbelazeren, flessen, neppen, bedriegen, beetnemen, oplichtenuitzetten, uitdoen, uitschakelenonttronenamputerenaflopen, toelopen
".